65 jaar na de Watersnoodramp van 1953


In de uren voorafgaand aan de Watersnoodramp op 1 februari 1953 was de spanning in de weerkamers van West-Europa te snijden. De meteorologen waren ernstig bezorgd over de stormdepressie die de Noordzee naderde en de zeer hoge waterstanden die de wind zou gaan veroorzaken. Daags tevoren gingen waarschuwingen uit voor “gevaarlijk en later voor zeer gevaarlijk hoogwater”, een benaming die nog nooit was gebruikt en waarmee de ernst van de situatie werd benadrukt.  Het zuidelijk deel van de Noordzee kreeg immers een enorme “waterberg” te verwerken.  

Aan het einde van de middag van zaterdag 31 januari 1953 stuurt de toenmalige Stormvloedseindienst, ondergebracht bij het KNMI, een telegram uit. Dit bericht werd op de radio in de nieuwsuitzending voorgelezen: “Boven het noordelijk en westelijk deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich verder over de noordelijke en oostelijke Noordzee uit. Verwacht mag worden dat de storm de hele nacht zal voortduren”. De waarschuwingstelegram heeft echter weinig mensen bereikt. In het weekeinde waren alle bevoegde instanties onbemand, zodat de autoriteiten niet in actie kwamen. Doordat mensen nog geen televisie hadden en de radio geen 24 uur per dag uitzond werd de bevolking nauwelijks bereikt. Daags daarna voltrok zich een van de ergste overstromingsrampen van de Belgische geschiedenis waarbij 18 landgenoten de dood vonden. In Nederland verdronken meer dan 1800 mensen.

Terugkijkend op de ramp, 65 jaar later, is nauwelijks te bevatten wat zich die nacht heeft afgespeeld. Weerwaarschuwingen en weerberichten worden tegenwoordig continu via tal van kanalen verspreid en een storm als die van 1953 is vandaag de dag vaak al een dag of vier tevoren in de modelberekeningen te vinden. De storm die de kust teisterde in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 hoort tot de één van de zwaarste in de geschiedenis. Geruime tijd woedde langs onze kust een zware storm (windkracht 10). In de Zeeuwse wateren bereikte de storm kort voor middernacht zijn hoogtepunt. Halverwege de nacht kwam het water in Oostende 6,66 meter boven TAW (tweede algemene waterpassing). Bij de Sinterklaasstorm van 6 december 2013 werd een waterstand bereikt van 6,33 meter boven normaal. Dat was de hoogste stand sinds de Watersnood van 1953. Hoge waterstanden langs de kust komen vooral voor bij windrichtingen tussen noord en noordwest. De wind kan dan over de Noordzee een grote massa water onze kant opstuwen. Zeker in combinatie met springtij, waarbij de waterstand al extra hoog is, kunnen de peilen langs onze kust hoge waarden bereiken.

In de toekomst zijn verschillende factoren van invloed op veranderingen in de hoogte en frequentie van stormvloeden, maar de belangrijkste voor België zijn de zeespiegelstijging en verandering in het windklimaat .De veranderingen in het windklimaat lijken vooralsnog klein. Studies tonen geen verandering in de waterstanden voor de kust door toekomstige verandering in het windklimaat. De zeespiegel stijgt echter wel door het smelten van de ijskappen en bedraagt volgens de recentste klimaatscenario’s in 2100 naar verwachting ongeveer 25 tot 80 cm ten opzichte van de periode 1981-2010. Nieuwe inzichten laten zien dat de stijging zelfs hoger zou kunnen zijn. Deze zorgt dus voor een significante toename in de hoogte van toekomstige stormvloeden.

Daarnaast moet rekening gehouden worden met verhoogde piekafvoeren van de rivieren in de winter in een veranderend klimaat. Als die tegelijk optreden met hoge waterstanden langs de kust wordt het moeilijk het overtollige water af te voeren en kunnen in het binnenland overstromingen dreigen. Nadat in januari 1976 verschillende dijken het opnieuw begaven door hoge waterstanden, lanceerde de Vlaamse overheid het Sigmaplan. Het plan voorzag in het verhogen en het verstevigen van de dijken en het aanleggen van gecontroleerde overstromingsgebieden om overtollig water op te vangen.